Hoe lees je tussen de regels door?
Tussen de regels door lezen, dan zien we vaak allemaal “wit”, dus wat wordt er nu echt mee bedoeld?

Intferentie betekent een conclusie trekken op basis van aanwijzingen uit de tekst. Het woord of de hele zin krijgt een specifieke betekenis afhankelijk van de context waarin je het gebruikt en de hints die gegeven worden in de tekst.
Binnen begrijpend lezen is inrferentie vooral het tussen de regels door lezen. Bij begrijpend lezen betekent dit dat je informatie verzamelt die de schrijver niet letterlijk opschrijft, maar wel bedoeld (insinueert).
Je combineert de hints uit de tekst met jouw eigen kennis om de boodschap te begrijpen.
Voorbeeld interferentie
Toen Lisa de woonkamer binnenkwam, lag de hond met zijn kop tussen zijn voorpoten op het tapijt. Hij keek haar met grote, schuldige ogen aan en zijn staart gaf één zacht tikje op de grond. Naast de bank lágen de resten van Lisa’s favoriete pantoffel, verdeeld in tientallen kleine stukjes schuimrubber.
Wat kun je hieruit infereren (concluderen) over de hond?
- A) De hond is bang voor Lisa omdat ze altijd schreeuwt.
- B) De hond weet dat hij iets heeft gedaan wat niet mag.
- C) De hond is heel blij dat Lisa weer thuis is.
Het goede antwoord is B, want ja die resten van de pantoffels en de schuldige ogen…. dan kunnen we daaruit afleiden wat niet letterlijk in de tekst staat.
Waarom is inferentie van belang bij begrijpend lezen?
Tussen de regels doorlezen bij begrijpend lezen is belangrijk omdat je dan beter de bedoeling van de schrijver begrijpt. Bij de Cito-toetsen Begrijpend Lezen (zoals de LVS-toetsen voor het basisonderwijs) verschuift de focus in de hogere groepen steeds meer van letterlijk opzoeken naar dieper tekstbegrip.Tussen de regels door lezen (infereren) is om de volgende vier redenen cruciaal voor het behalen van een goede Cito-score:
1. Cito toetst primair de ‘impliciete’ boodschap. Cito-vragen zijn er juist op ontworpen om te controleren of een leerling de tekst écht snapt, en niet alleen woorden scant. Veel vragen gaan over de hoofdgedachte, de bedoeling van de schrijver of de onderliggende sfeer. Deze antwoorden staan nooit letterlijk in de tekst. Een leerling die niet kan infereren, zoekt naar letterlijke trefwoorden en kiest daardoor de foute afleider (het foute meerkeuzeantwoord).
2. Het bepaalt de betekenis van onbekende woorden. Cito gebruikt bewust teksten met woorden die een leerling waarschijnlijk nog niet kent. De toets verwacht dat de leerling de betekenis van dat moeilijke woord afleidt uit de context (de omliggende zinnen). Dit vereist dat de leerling logische verbanden legt tussen wat er wél bekend is en het onbekende woord.
3. Het herkennen van tekststructuren en tekstdoelen. Een Cito-vraag vraagt zelden: “Wat is het doel van deze tekst?” als het antwoord letterlijk “De schrijver wil je overtuigen” is. De leerling moet aan de toon, de woordkeuze en de argumenten (tussen de regels door) aanvoelen of een tekst informerend, overtuigend of amuserend is. Ook het leggen van causale verbanden (oorzaak en gevolg) die niet expliciet met signaalwoorden worden aangeduid, valt hieronder.
4. Correcte interpretatie van verwijswoorden. Cito-toetsen zitten vol met verwijswoorden (hij, zij, dit, dat, de voormalige, de laatstgenoemde). Om te begrijpen wie of wat er bedoeld wordt, moet de leerling voortdurend de link leggen met de eerdere informatie in de tekst. Dit proces van ‘gaten dichtlezen’ is een directe vorm van inferentie; zonder deze vaardigheid raakt de leerling de draad van het verhaal kwijt.